New Page 1

INDIVIDUALISME EN EGOïSME


door Ton Hilberink

Enige tijd geleden werd ik getroffen door een paar gebeurtenissen die me opvielen door hun tegenstrijdigheid. Ik ontving een geboorte-aankondiging met teksten als: 'Dit wonder zal ons leven een nieuwe invulling gaan geven' - 'Een diep verlangen is uitgekomen - jij lief klein mensje van onze dromen' - 'Vol trots geven wij kennis van de geboorte van onze zoon...'

In dezelfde dagen las ik in de krant de opgave eindexamen VWO 1997 voor het vak FILOSOFIE: -Leidt het huidige individualisme tot meer egoïsme?- of iets dergelijks (de letterlijke tekst heb ik niet tot mijn beschikking). In diezelfde tijd kregen een engelse draagmoeder en de Nederlandse wensouders een onverkwikkelijke ruzie. Hier groeide de intocht van een kind tot verregaand egoïsme, ja zelfs tot commercie van een kwalijke soort.

Samengevat: De geboorte van een kind bracht bij de een 'n groot individueel geluk en ergens anders wordt dit geluk als bedreigend ervaren, in die zin, dat een groot individualisme zou kunnen leiden tot nog groter egoïsme dan nu reeds bestaat. Naast de vele pogingen om tot kunstmatige bevruchting te komen bloeien de praktijken van de abortus-klinieken om ongewenste kinderen te vermijden. Het is alleszins verwarrend. Op alle mogelijke manieren - adoptie, draagmoederschap, invitro-fertilisate, enzovoort - wordt getracht verlangende ouders een kind te geven, maar er kunnen ook ongewenste kinderen komen en deze ongewenste kinderen worden dikwijls een 'halt' toegeroepen en worden niet geboren. Al deze methoden zijn omstreden. Ze worden niet door iedereen met bijval begroet. Is er hier sprake van een spanningsveld tussen individualisme en egoïsme, tussen vormen van samenwerking en persoonlijke verlangens?

Hierbij zou ik over drie zaken een persoonlijke analyse willen geven:

1. het individualistische karakter van de handelingen;

2. het egoïstische karakter van de handelingen;

3. de mate van vrijheid van handelen.

Om tot deze beschouwing te kunnen komen, geef ik eerst een korte inleiding over mijn gedachten over het verschijnsel 'leven'.

Op de vraag: wat is 'leven' zijn veel antwoorden mogelijk. Het hangt er van af vanuit welke hoek wij kijken. Wij zijn n.l. niet in staat om een allesomvattende visie te construeren. In onze analyses kunnen wij alleen maar fragmentarisch onderzoeken en beschrijven wat wij ervaren, bijvoorbeeld biologisch, filosofisch, materieel, natuurkundig, functioneel, astraal, geestelijk, enz. Hierbij zijn combinaties van gezichtshoeken mogelijk. Mijn uitgangspunt is dat 'leven' ontstaan is vanuit dode materie tot 'levende' organismen. In laatste instantie bestaat voor mij alle materie uit ENERGIE. Hierbij lijkt een materie-deeltje zich hoe langer hoe meer te gedragen als een elektro-magnetisch veld dat de gehele ruimte vult, zij het dat zijn grootste intensiteit zich tot een klein deel van de ruimte beperkt. (zie: Bertrand Russel: Mystiek en Logica).

Een andere ontwikkeling is ontleend aan de wereld van de psychologie en de fysiologie. De voorstelling die wij ons van iets maken wordt wezenlijk beïnvloed door onze waarnemingen en dus ook door de toestand van onze zintuigen. Hierdoor zijn onze voorstellingen niet objectief en kunnen zelfs waanvoorstellingen zijn. Er zijn dus minimaal twee beperkingen: fragmentarische waarneming en subjectieve waarneming. Het door ons benoemde begrip 'stof' hoeft geen onderdeel van de elementaire materie te zijn, maar kan een gemakkelijke manier tot bundeling van gebeurtenissen betekenen. De natuurkunde maakt de materie minder materieel, de psychologie maakt de geest minder geestelijk. Het onderscheid tussen 'stof' en 'geest' vervaagt tot een 'bundelings-onderscheid', aldus Russel. Hij verwerpt de gedachte, dat er voor ons één algehele en overal geldende theorie nodig zou zijn (Deze zou ons bevattingsvermogen te boven gaan). Hij is van mening, dat we de problemen stuk voor stuk kunnen behandelen.

Vergelijken we deze gedachten met de relativiteits-theorie van Einstein en met de theorie van de quantum-mechanica, die beide moeite hebben met de beschrijving van het onderscheid tussen 'golf' (straling) en 'materie' en ook met de beschrijving van de begrippen 'tijd' en 'ruimte', waarbij gesproken wordt over een begrip 'tijd/ruimte', dan kunnen we de gedachten van het 'logisch atomisme' (zoals Russel en Whitehead hun theorie genoemd hebben) een gedaante geven. Voor mij werd het duidelijk dat er vóór de Big-Bang geen tijd en geen ruimte bestonden en dat alle materie en alle geest samengebald was in een nog onbekend en onbegrepen ontzettend zwaar krachtenveld, dat in ieder geval ALLES omvat, zowel de 'stof' als de 'geest' als de 'tijd' als de 'ruimte'. Ik noem deze toestand de OERENERGIE, die ALLES in potentie in zich heeft. Ik ga er dus van uit, dat er vóór de Big-Bang IETS bestaan heeft, dat tot ontwikkeling is gekomen. De Big-Bang is dan voortgekomen uit deze ongelooflijk kleine, niet in omvang te meten, zeer dichte 'massa', die alles omvat wat we kunnen waarnemen. Dus alles bijeen: materie, geest, warmte, licht, straling, leven, dood, alles wat kan bestaan en wat in potentie aanwezig is. Geen alles-omvattende theorie, maar wel een alles-omvattende aanwezigheid.

Denken we aan de atoomenergie. Ieder atoom 'materie', van welk soort dan ook, omvat zoveel energie, dat er bij het ontwikkelen van deze energie uitzonderlijk veel straling en warmte vrijkomt, waardoor grote steden in enkele minuten vernietigd kunnen worden. Dan wordt de 'energie' Big Bang iets begrijpelijker. Energie is overal en in alles rondom ons opgeslagen in niet te meten hoeveelheden en ligt a.h.w. te wachten om ontwikkeld te worden. Hoewel het lijkt dat de stoel waarop wij zitten uit louter vaste massa bestaat, bewegen er elektronen rond de kernen van vele atomen, die hiermee hun enorme energie vasthouden. Voeg daarbij het 'onbepaaldheids-beginsel' van de quantum-mechanica, waarbij plaats en snelheid van deeltjes 'massa' niet exact te bepalen zijn, en we zitten in zeer moeilijke natuurkundige vraagstukken. Plaats daarnaast de grote massa straling, die zon en sterren, teevee, ruimtevaart, auto-telefoon, magnetron, radio, enz, enz draadloos rondom ons heen zenden, tot ver in het heelal, dan wordt het onbegrijpelijk dat de ene soort straling dodelijke gevolgen kan hebben en de andere soort moeiteloos langs en dwars door ons heen gaat. Zoals uit ruimte-onderzoek met satellieten en mars-wagentjes blijkt kan deze straling in tweerichtings-verkeer gebruikt worden.

In oorsprong is dus alles terug te voeren op de OERENERGIE. Deze energie is 'ontploft' en heeft zich verspreid over bijna onmetelijke ruimten, zodat het bijzonder grote heelal er ongelooflijk leeg en donker uitziet. Daarbij bewegen zich de sterrenstelsels, die wij waarnemen, ALLE van ons af. Dit is af te leiden uit de onderzoekingen van het spectrum van licht, dat deze sterren uitstralen. Bij een zgn roodspectrum bewegen ze zich van ons af, bij een zgn blauwspectrum bewegen ze zich naar ons toe. Alle bekende sterrenstelsels vertonen roodspectrum en bewegen zich dus van ons af. Dit zou ons in de verleiding kunnen brengen te stellen, dat ons zonnestelsel zich in het middelpunt van het heelal bevindt. Dit is niet juist. Vergelijk het met een ballon, die opgeblazen wordt. Ons zonnestelsel bevindt zich dan op een punt ergens op de wand van de ballon. Wordt de ballon opgeblazen dan bewegen alle punten op de wand van de ballon zich van ons af. (De vergelijking gaat enigszins mank, omdat we ons niet kunnen voorstellen wat er zich dan midden in de ballon zou bevinden.)

Alle energie is dus in potentie aanwezig, ook de energie, die we 'levende energie' noemen. Maar - zoals het hele heelal - had ook de levende energie tijd nodig om zich te ontwikkelen. Dat betekent, dat zich vanuit de dode energie in de loop van vele omgangen in de sterrenstelsels op sommige plaatsen onder speciale condities vormen van energie ontwikkeld hebben, die we 'levende energie' kunnen noemen. Onder 'levend' verstaan we dan die vormen van energie die door zichzelf te ontwikkelen (groeien) zichzelf kunnen REPRODUCEREN en vermenigvuldigen zodat er steeds meer vormen van deze energie kunnen ontstaan. (Terwijl een steen zich niet kan reproduceren, kan een muis dit wel). Hierbij is het niet noodzakelijk dat de totale energie toeneemt. In deze vorm van levende energie kunnen we veel bewegingen waarnemen. Het lijkt een krioelende massa, waarin telkens veranderingen voorkomen, waarin overal nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden. Deze vorm van energie is aan bepaalde wetmatigheden onderworpen.

Een eerste sterke streven van iedere levende vorm van energie is het streven om INDIVIDUEEL te OVERLEVEN als een noodzaak om in de schepping te blijven functioneren. Alle krachten worden gebundeld om de overleving - en de reproductie als vorm van overleving - op een of andere manier te bereiken. In deze overlevings-strategie tenderen deze krachten van eenvoudige organismen naar complexe systemen, waarbij het lijkt alsof de beste overlevingskansen voorbehouden zijn aan de meest complexe systemen, die daarbij minder complexe systemen gaan overheersen. Darwin waarschuwde ons reeds dat de overheersing van één soort tot de ondergang van alle soorten zou leiden. Het meest complexe levend organisme is de mens, die ongeveer drie en een half miljoen jaar geleden ontwikkeld werd uit eerdere systemen. De overleving bij alle levende systemen kan alleen geschieden door een individueel afsterven van de leden van deze systemen. Het individuele leven verdwijnt en het lijkt alsof er niets blijft dan dode stof, die weer in de aarde wordt opgenomen. We weten niet waar het levensbeginsel van de organismen is gebleven al kennen we uit onze ervaring zaden van planten die een lange tijd hun reproductiekracht blijven behouden. Om zich vervolgens in een bijna gelijke vorm maar in een nieuw 'individu' te ontplooien. (Ook kennen we de laatste decennia ingevroren sperma, dat tot reproductie in staat is, al is hierbij een tweeslachtige bevruchting noodzakelijk. Maar dit vertelt ons betrekkelijk weinig over het zgn 'levensbeginsel'.)

Door deze sterke krachten heeft het leven zich over de hele planeet verspreid, zelfs op plaatsen waarvan je zou denken dat daar geen leven mogelijk is. We zien dan dat de moeilijk handhaafbare levensvormen zich aanpassen aan hun omgeving om toch maar aan hun doelstelling, nl de reproductie, de voortzetting van het leven, te kunnen voldoen. Het lijkt dus dat het leven in de primitieve stadia voortkomt uit een schijnbaar niets, vanuit de dode materie gaat naar een materie met een levensbeginsel. Ieder individueel leven is kortstondig en tracht het levensbeginsel door reproductie voort te zetten in een nieuw, individueel leven, liefst op een complexer niveau, omdat daar de overlevingskansen groter, sterker lijken te zijn. Toch sterft dit individueel leven op zijn beurt af om terug te keren tot de dode materie omdat zijn taak volbracht is.

Samenvattend kunnen we stellen dat het verschijnsel 'leven' per definitie bestaat uit:

- te voorschijn komen;

- bewegen en zich ontwikkelen;

- door aanpassing proberen op een complexer niveau te functioneren;

- zich reproduceren;

- individueel afsterven;

- terugkeren tot de dode materie.

Vervolgens wordt een ander deel dat het levensbeginsel in zich draagt tot nieuw leven geroepen om het proces te herhalen. In de dode collectiviteit is het individuele leven niet meer herkenbaar. Het is verdwenen en kan niet meer in de vroegere staat als specifiek herkenbaar individu opgewekt worden. Het is een ander individu geworden. Een levend organisme is verplicht af te sterven na het levensbeginsel doorgegeven te hebben. Na dit afsterven blijft er in wezen niets dan een hoeveelheid 'materie', waaruit het levensbeginsel is verdwenen of waarin het levensbeginsel is opgeborgen. Een Bloemendaal bijvoorbeeld kan jarenlang als (schijnbaar) niet levende materie verder gaan. Maïs, graan en andere zaden zijn typische producten met een dubbel doel: reproductie en vermenigvuldiging en daarnaast rijk voedsel voor andere levende organismen. Na een periode van 'dood-zijn' kan een plant weer tot nieuw leven opgewekt worden, zoals in de vele woestijnen en ijsvlakten te constateren is. De eenslachtige levende wezens bergen hun levenskracht weg om het later in zijn eenslachtigheid te gebruiken. Bij tweeslachtigen kan de een niet zonder de ander een nieuw leven beginnen.

Voor mij ligt hier een vreemd mysterieus waas over de energie en de materie. Het leven is per definitie gedoemd om te sterven, maar niet nadat het levensbeginsel zelf is doorgegeven of opgeborgen. Er is dus energie/materie, die nooit hetzelfde blijft. Dit verschijnsel wordt versterkt door een andere merkwaardigheid: de reproductie verloopt niet zonder variaties, dikwijls ook niet zonder fouten. En het lijkt alsof deze 'onnauwkeurigheden' de levenskracht versterken. Ook dit ligt dan besloten in die geweldige drang: overleven. Daarbij is de reproductie dikwijls - om te kunnen overleven - een aanpassing aan situele omstandigheden. Ook op deze wijze ontstaan hogere, complexere systemen, die meer levenskansen, meer levenskracht hebben. (Het giraffe-effect: toen de bomen hoger groeiden werden de nekken langer.) Zo is onze aarde bevolkt met miljoenen variaties van levende organismen, die allen één onontkoombaar lot hebben: sterven. Maar die tegelijk toch ook één ander doel hebben: overleven. Dit is een vreemde gedachte: leven om dood te gaan en doodgaan om te leven. Leven en dood horen onlosmakelijk bij elkaar en zijn niet te scheiden. Wanneer de ene zou verdwijnen zou de andere ook verdwijnen. Dan zou de aarde leeg zijn, want er zou niets zijn dat zich kon ontwikkelen. Ontwikkelingen kunnen alleen bestaan via de krachten van leven en dood.

Dit heeft grote consequenties voor de toestand waarin wij leven.

Tegelijk krijgt het verschijnsel "lijden" een andere vorm. Sterven is onontkoombaar en het gaat dikwijls niet zonder lijden. Lijden is dus een vast deel van leven. Hoewel wij het lijden in wezen niet accepteren is het lijden een even onontkoombaar deel. En evenals leven is lijden ongelijk verdeeld. Hoe is het leven ontstaan? (Informatie uit: 'De geheimen van het DNA' door Levine en Suzuki). Onder bepaalde omstandigheden en waarschijnlijk in een atmosfeer van stikstof, methaan en ammoniak kan er zo ongeveer drie tot vijf miljard jaar geleden het eerste leven op aarde zijn begonnen. Chemische reacties en elektrische ontladingen, ultraviolet licht, een mengsel van gassen en waterdamp deden complexe moleculen ontstaan, zoals suikers, nucleïnezuren en aminozuren, die nodig waren voor de bouw van eiwitten. Aan het einde van deze actie ontstond het DNA, dat zichzelf kan reproduceren en dat alle genetisch materiaal voor deze reproductie in zich draagt. In deze (niet feilloze, maar wel creatieve) reproductie heeft het zich ontwikkeld tot een grote variëteit van soorten van leven. Op dit ogenblik is de kennis zover gevorderd, dat we weten dat er naast grote complexiteit ook een verbluffende eenvoud in het levensbeginsel aanwezig is. Deze eenvoud wordt uitgedrukt in de codes van niet meer dan vier basen, die aangeduid worden met de letters A,T,C en G, hetgeen staat voor de stoffen Adenine, Thymine, Cytozine en Guanine. Lange reeksen van deze codes zijn nodig om de informatie over te brengen. Elke levende cel bevat zo'n 6000.000.000 nucleotiden. Zelfs een tamelijk klein gen bestaat uit minimaal drieduizend base-paren. De meeste genen zijn veel groter. (Tot zover Levine en Suzuki).

*

Een belangrijk kenmerk van de zich reproducerende, levende energie is de INDIVIDUALITEIT, d.w.z. het duidelijke onderscheid dat levende organismen ten opzichte van elkaar vertonen. Levende organismen zijn individueel herkenbaar. Bij de allereerste, simpele vormen van leven was (en is) dit onderscheid tussen twee of meer organismen nog nauwelijks merkbaar, omdat een eencellige levensvorm tamelijk uniform en eenvoudig is. Wanneer we een school plankton ontmoeten dan is het onderscheid tussen het ene wezentje en het andere bijzonder klein en moeilijk waarneembaar. Doordat de levende energie zich 'ontwikkelt' en complexer wordt, wordt het onderscheid tussen het ene wezen en het andere meer herkenbaar. Hoe ingewikkelder een levend wezen in elkaar zit des te meer variaties er in de reproductie kunnen optreden en des te meer herkenbaar een individueel wezen zal zijn. Hoe verder een levend wezen op de evolutie-ladder is gestegen des te groter de aparte kenmerken zullen zijn.

*

Samengevat zien we dus het volgende:

1. het individuele leven kent een korte eigen ontwikkeling en verdwijnt dan.

2. de reproductie is niet exact;

3. er ontstaan variaties in vorm, die individuele herkenbaarheid geven en die bovendien kunnen leiden tot andere soorten van leven, meestal in complexere vorm. Deze complexere soorten kunnen ook ontstaan wanneer situele aanpassingen betere overlevingskansen geven: het giraffe-effect.

4. hoe complexer de soort des te sterker de individualiteit van het organisme;

5. de meest complexe soort is de mens, die zich op vele manieren en op vele plaatsen heeft aangepast aan veranderende situaties en omstandigheden.

6. indien de mens op zoveel plaatsen en onder zoveel omstandigheden kans ziet om te overleven zodat ze alle andere vormen van leven gaat overheersen, zal verdere ontwikkeling van levende soorten niet gebeuren en is de mens het eindpunt in de evolutie op deze planeet.

7. dan treedt de hier reeds genoemde "wet van Darwin" in werking, n.l dat de ene alles overheersende soort alle andere levende soorten zal verdringen en uiteindelijk zal vernietigen. Hetgeen tot gevolg heeft dat ook de laatste soort zal verdwijnen.

*

Uit bovenstaand betoog mag afgeleid worden dat het individuele, kortstondige leven tot eigenbelang leidt, zowel in de sfeer van het overleven in de toekomst als in het huidige belang voor ditzelfde kortstondige leven. Alles staat in dienst van dit dubbele streven naar overleven.

Soms zijn deze twee belangen niet van elkaar te onderscheiden. Het verlangen naar een kind dient onder normale omstandigheden twee doelstellingen: bevrediging van de behoefte aan de warmte van een kind en bevrediging van het verlangen naar nakomelingen schap. In de normale praktijk van alledag is er geen onderscheid te maken tussen deze twee vormen van eigenbelang en kan hier meestal niet gesproken worden van egoïsme. Het is de vervulling van een verlangen, dat diepgeworteld in onze genen aanwezig is en waarop wij met de huidige middelen geen invloed kunnen uitoefenen.

Nu zijn er twee situaties waarin dit samengaan van behoeften niet soepel verloopt, nl. wanneer de behoefte aan een kind niet vervuld kan worden terwijl het verlangen de normale proporties overstijgt. En ten tweede wanneer het omgekeerde plaats vindt, nl. dat de reproductie meer nakomelingen geeft dan - om welke reden dan ook - gewenst is. Dit laatste is een steeds groter wordend probleem in verband met de overbevolking van de aarde. Ik heb hier al tweemaal eerder gesteld dat deze overbevolking niet alleen desastreuze gevolgen kan hebben voor de economie en de welvaart van de volken, maar dat ook door de overheersing van die ene soort, die alle overige levenssoorten op aarde zou uitroeien, alle leven op aarde vernietigd zou worden. Reeds nu wordt geconstateerd, dat in Nederland het aantal soorten levende organismen vermindert.

Dit laatste - de overheersings-theorie van Darwin - komt m.i. in de ecologische ontwikkeling te weinig aan de orde. Het lijkt te ver van ons weg. De overbevolkings-theorie daarentegen staat midden in de belangstelling en heeft in sommige landen, bijvoorbeeld China, al geleid tot overheidsingrijpen. In China is er duidelijk sprake van geboorte-beperking op dwingende wijze. In de westerse landen is er sprake van een vrijwillige geboorte-beperking op individuele schaal en wel om twee redenen. Ten eerste was - onder invloed van ondoordachte godsdienstige voorschriften - het aantal kinderen per individueel gezin te groot geworden, hetgeen veel spanningen in de betreffende gezinnen met zich meebracht en leidde tot onverantwoorde abortussen en tot een angstige levenswijze. Ik herinner me nog levendig de maandelijkse angst van vrouwen met een 'voltooid' gezin, een angst die tot grote spanningen kon leiden en die veel huwelijken verwoestte of tot liefdeloosheid terugbracht. De ontdekking van anti-conceptiemiddelen bracht hierin een grote opluchting. Nu kunnen verlangen en behoefte beter op elkaar worden afgestemd.

Dat deze nieuwe levenswijze ook minder gelukkige verschijnselen met zich mee heeft gebracht is vanzelfsprekend. De bevrijding van de angst van vrouwen voor ongewenste zwangerschappen betekende tegelijk een bevrijding van de vrouw van haar traditionele rol als 'kloek', als 'moederdier' als verzorgster van haar gezin. Bovendien gaf de ene vrijheid nog andere vrijheden, nl. de vrijheid om op het 'jagerspad' te gaan. Het verdwijnen van de angst voor zwangerschap gaf tegelijk de mogelijke vrijheid tot het 'plegen' van andere seksuele relaties. Dit bracht ook een nieuwe rolverdeling voor de man in het gezin. Zijn rol werd minder zeker en het was en is nog lang niet altijd duidelijk wat de vrouw van de man verwacht. Van een vast rollenschema tussen man en vrouw zijn we in minder dan veertig jaar in een verwarrend verwachtings-spel terechtgekomen, waarbij er niets vast ligt en alles kan. Maar mag er ook alles verwacht worden?

Nu hebben we in vorige paragrafen gezien dat de mens - als meest complexe soort - daardoor ook de grootste individualist onder de levende organismen is. Dat is een vast, biologisch gegeven, dat we niet kunnen ontkennen. Daarnaast vond er een andere ontwikkeling plaats in de genen, nl. de vergroting van de hersenen waardoor het ethisch normgevoel gestalte kreeg: de mens werd zich ethisch bewust dat hij goed en kwaad kon doen. Onder invloed van de drang tot overleven kon de mens ethische keuzen maken. Het verschil tussen het goede en het kwade was in het begin van deze bewustwording dikwijls moeilijk te onderscheiden. Vergelijken we onszelf met de primaten dan kunnen we constateren dat ook primaten een zeker schuldbewustzijn hebben. Ze hebben dikwijls heel goed in de gaten wanneer zij 'goed' of 'fout' handelen. Al weten zij niet wat 'goed' en wat 'fout' is, toch merken zij dat 'goed' beloond wordt en 'fout' bestraft. Dit bewustzijn ligt opgesloten in de genen met versterking van een aangeleerde sociaal gedrag. Ook hier weer: fundamenteel staat alles in de drang tot overleven, hetzij persoonlijk, hetzij in een volgende generatie, maar tegelijk kunnen situele, sociale omstandigheden aangeven dat om te overleven als individu een aanpassing van het gedrag op dit moment gewenst is. In het begin van de levens-cyclus zijn er dan straffen door de opvoedende figuur, in een latere levensfase worden deze meningsverschillen uitgepraat of uitgevochten. (Bij sommige apensoorten worden conflicten overwonnen door seksueel gedrag). Hier is er dus een samengaan van genetische en sociale factoren. We zien aan onze huisdieren en aan de primaten in de natuur dat deze opvoedingscultuur bij de hoger ontwikkelde levens-soorten veel meer voorkomt. Onze huisdieren en de circus-leeuwen voeden wij zodanig op dat zij kiezen voor een slimme overleving door ons gehoorzaam te zijn. Vervalt de conditie van de overleving of worden deze dieren in gevaar gebracht dan verdwijnt ook de gehoorzaamheid en kunnen zij hun opvoeders of begeleiders aanvallen. Dan zien zij daarin de grootste mogelijkheid om te overleven.

Het is een boeiende vraag HOE, mensen, hoe wij onze keuzen maken.

In diepste grond maken wij steeds rationele keuzen. We wegen steeds af hoe wij de beste kansen tot overleving in een bepaalde situatie kunnen verkrijgen. We vergelijken - meten - de voorliggende situatie altijd met een andere min of meer vergelijkbare situatie. We beoordelen dan of we in die vorige situatie goed of fout gehandeld hebben. En in dit 'goed' of 'fout' zit een dubbele achtergrond. Ten eerste beoordelen we of we in de vroegere situatie ons eigen voordeel - onze eigen overlevingskansen - zo goed mogelijk hebben behartigd. Ten tweede bekijken we of we met dit gedrag anderen niet benadelen. Dit zou hun woede of ontstemming kunnen opwekken, waarmee we onszelf in gevaar zouden brengen. Deze houding lijkt tamelijk egocentrisch. Beide beoordelingen gaan immers uit van ons eigen ego. Van onze eigen situatie. Dit is niet zo vreemd als het lijkt. We hebben twee ogen om te kijken en we zien dus de wereld en de medemens altijd door deze twee ogen. We kunnen niet anders. We mogen ook niet anders. Zouden we dit niet doen dan zijn we slechte vertegenwoordigers van onze eigen belangen, die dan niet veel meer waard zijn. Onze overlevingskansen dalen en dat schaadt ons en onze situatie en onze genen.

Hoe beoordelen we nu wat ethisch is en wat niet?

Het begrip 'ethisch' is een cultuurterm. Deze geeft aan dat er bepaalde relaties tussen mensen bestaan in welke relaties voor een andere partij goede of slechte keuzen gemaakt kunnen worden. Hierdoor kunnen wij mensen bevoordelen of benadelen. In onze overlevings-strategieën liggen keuzen besloten, die slechter of beter zijn voor de mensen waarmee wij leven. Er bestaat een groot spanningsveld tussen overlevingskansen en relaties. Dikwijls kunnen de overlevings-strategieën in conflict komen met de intensiteit van onze relaties. Op kleine schaal vinden we dit terug in ons gezin, ons huwelijk, onze samenlevingsverbanden. Op grotere schaal is Europa een lichtend voorbeeld van dit spanningsveld. Er wordt geschermd met individuele (=nationale) belangen, die haaks staan op algemene (=Europese) belangen. Er worden beelden geproduceerd, waarvan we niet weten of ze valide zijn. De kreet: -dit is ons land- roept de vraag op met welk recht wij dit land tot ons onvervreemdbaar eigendom verklaren. Zo ver we terug kunnen zien bestaat er nergens een protocol, wet, verklaring of overeenkomst waarin onomstotelijk is vastgelegd welk collectief bezit een bepaalde groep mensen bezitten. (Wie zou zo'n document ook kunnen geven?)

Dit zien we bijvoorbeeld in het Midden Oosten, waar al vele eeuwen gevochten wordt om een woestijn, die de 'Eeuwige' aan een bepaald volk beloofd heeft. We weten niet wie 'de Eeuwige' is. We weten wel dat het een figuur is, die als Opperwezen boven ons is geplaatst. We weten niet wie dit gedaan heeft en waarom. Verder weten we niet aan welk volk deze belofte is gedaan. Toen Abraham de belofte meende te horen bestond dit volk niet eens. Sterker: -Degenen, die eerst tot dit volk meenden te behoren, vluchtten naar Egypte en keerden pas na eeuwen naar het 'beloofde' land terug. Op dat moment waren ze geen volk maar een aantal stammen, waarvan de verwantschap niet vaststond. Zelfs het geloof in het bestaan en in de rol van 'de Eeuwige' was voor hen niet eenduidig, omdat er verschillende interpretaties over Hem bestonden, getuige de aanbidding van het gouden kalf in de woestijn van Sinaï. Pas later, veel later hebben zgn rechters en koningen er een volk van kunnen maken. Een volk, dat sterk en dwars was, dat om deze eigengereidheid werd weggevoerd naar een oostelijk land om daar als ondergeschikten te moeten leven. Ze keerden voor een groot deel terug en koesterden de mythe van het beloofde land verder. Enige eeuwen later was het voor de Romeinen eveneens een lastig volk, dat - ondanks ruime financiële faciliteiten - toch hun eigengereidheid bleef koesteren. De Romeinen bezetten en verwoestten daarop het land, zodat er opnieuw een verspreiding over grote delen van de toen bekende aarde volgde. Na veel omzwervingen en veel leed kwam er tweeduizend jaar later toch een nieuwe staat te voorschijn, die nu in strijd is met de 'oorspronkelijke' bewoners van het land. Deze claimden rechten, die grotendeels gehonoreerd werden hetgeen bloedige oorlogen tot gevolg had. Op dit moment zijn er verschillende volken die een claim leggen op dit land en die vasthouden aan de gedachte, dat hun land hun land is. Abba Eban - een van de ministers van een van de partijen - schreef een boek met de titel: MIJN LAND. Een ondubbelzinnige claim. Hij legt deze claim uit Naam van de Allerhoogste, die een andere godheid is dan de Allah van de andere claim. Een absurde situatie, omdat beide claims gebaseerd zijn op vermeend recht vanuit een Hogere Macht, waarvan we niet weten of Hij/Zij/Het wel bestaat.

Wie heeft hier nu enig recht? Vanuit de rationele logica is niet aan te wijzen wie dit recht heeft. Daarmee is voor mij alle claim op grondgebied zonder waarde. Maar heeft dit 'eigendomsrecht' in de vorige en in deze eeuw niet gezorgd voor een tweespalt in de wereld-maatschappij-visies? Kapitalisme en communisme stonden hard tegenover elkaar opgesteld. Het (individualistische) kapitalisme heeft deze strijd gewonnen, zij het dat deze maatschappij-vorm zijn scherpe kanten verloren heeft, zodat zelfs de strengste kapitalisten van mening zijn dat een maatschappij-vorm naast individuele ook gemeenschappelijke taken heeft en bovendien een sociaal gezicht moet hebben. Dus zorgen moet voor de zwakkeren in de maatschappij: een nieuwe overlevings-strategie. Niet de overleving van de fittest (sterksten?), maar de overleving van alle redelijk leven staat centraal. Grondeigendom is op de achtergrond gedrongen (er is immers niet zoveel goede grond) en het bezit van aandelen en spaar-kapitaal in vele vormen heeft dit grondeigendomsrecht verzwakt.

Van wie is nu dit land?

Dit voorbeeld heb ik gekozen omdat het een over de hele wereld bekend voorbeeld is. Ik zou er tientallen voorbeelden aan kunnen toevoegen. Voorbeelden die dichter bij huis liggen, zoals het land dat gedeeld wordt door de Vlamingen en Walen, die hopelijk in een andere dimensie leven. In ieder geval is de kans, dat zij hun problemen oplossen via groot wapengeweld zeer gering geworden en dat geeft nieuwe hoop. Hierbij moeten we de zwaarte van hun problemen - gezien de grote en intense omvang ervan - niet onderschatten. Nog niet zo lang geleden ging men in de Voerstreek met elkaar op de vuist. Ook werden de criminele activiteiten in dit land niet altijd adequaat bestreden.

Nogmaals: voorbeelden te over. Op deze plaats wil ik er niet verder op ingaan. We kunnen concluderen, dat een mens in alle omstandigheden kiest voor eigen overleving, daarbij meer of minder rekening houdend met de overleving van anderen. Nederland is een land, dat van oorsprong vele woonkernen kent. De Hoekse en Kabeljauwse twisten zijn verdwenen. De verschillende godsdiensten hebben elkaar eeuwenlang bestreden. Door bovendien een calvinistische handelsgeest werden de individuele belangen lange tijd gekoesterd. Toen een vereniging van republieken gevormd werd, keerde een centraal gezag terug en kon men tegenstellingen overwinnen in een gezamenlijke strijd tegen water en armoede. Hierbij de kregen de sociaal zwakkeren - dus mensen met geringere overlevingskansen - grote aandacht wat tot gevolg had, dat iedere welgestelde burger een flink deel van zijn arbeids- of andere inkomen afstond en nog afstaat voor deze sociaal zwakkeren. Deze keuze geeft tenminste de voldoening dat we samen sterk staan voor de overlevingskansen van de hele groep. En dat ons land in vele opzichten een welvarend en vredelievend land genoemd kan worden. Het pogen om Europa te stichten is een volgende stap in dit egocentrisch overlevings-spel. We zijn van mening dat we als een verenigd Europa meer overlevingskansen hebben dan als afzonderlijk land.

Bovenstaande gedachten zijn gebaseerd op grote, politieke groepen. Hoe verlopen deze processen in kleine groepen? Laten we het gezin als voorbeeld nemen.

In vroegere tijden was het gezin de 'hoeksteen' van de maatschappij. Is dit nog zo? Waarschijnlijk niet. Niet alleen zijn de samenlevings-vormen sterk gewijzigd, ook de ethische gedachten over deze vormen zijn veranderd. Terwijl vroeger het huwelijk toch bijna overal als onontbindbaar werd beschouwd, omdat het meer was dan een liefdescontract, zijn die andere aspecten grotendeels verdwenen. Het huwelijk - en daarna ook het gezin - heeft een nieuwe basis gekregen. Als reactie op al te sterke bindende motieven van andere aard zijn veel functies van het huwelijk en het gezin overgedragen aan vernieuwde instanties. De school heeft een meer opvoedkundige taak gekregen dan vroeger. Tweehonderd jaar geleden zou men er niet aan gedacht hebben om de kennisoverdracht op school te relativeren en daarvoor in de plaats inspanningen te vragen op het gebied van maatschappijleer, religie, opvoedkunde, enzovoort. Taken die langzamerhand tot kerntaken van de school gerekend kunnen worden. Kennisoverdracht komt nu eigenlijk op de tweede plaats, al wordt dit wel op vele plaatsen betreurd omdat deze kennisoverdracht nu zelf in de knel komt. De eindexamen-opgaven van de middelbare scholen zijn in dit opzicht onthullend, wanneer men er tenminste met kritische ogen naar kijkt.

Een andere taak van het gezin, die sterk veranderd is, is de zorg voor welzijn en gezondheid. Behalve dat er veel handelingen overgeplaatst zijn van het gezin of de samenlevingsvorm naar de officiële gezondheids- en welzijnszorg is ook de zgn. mantel- c.q. burenhulp verdwenen. Niet voor niets ligt in Nederland de Thuiszorg zwaar onder vuur. In de ethische keuzen die wij gemaakt hebben, is het verdwijnen van de mantelhulp bijna grensoverschrijdend fataal. We denken alles te kunnen kopen en laten het ethische probleem op een rationele manier verdwijnen. Of een medemens door het falen van de gezondheidheidszorg niet overleeft is geen ethisch probleem meer maar een sociaal-juridisch. De professionalisering heeft een ethisch probleem weggedrukt. En wij zijn van het ongemak af. (Wel ontstaan er nieuwe ethische problemen, maar daarover later.)

We zien daarbij niet in dat een fundament van de maatschappij langzaam wegkwijnt. Het lijkt - op vele terreinen - dat ethische problemen ingeruild kunnen worden voor juridische. En alle rechters, officieren van justitie, advocaten, enzovoort barsten van het werk en raken (bijna) overspannen. Daarbij is de wetsvorming en de regelgeving zo ingewikkeld geworden, dat er alleen maar specialisten op juridisch gebied kunnen zijn en dat niemand het gehele gebied kan overzien. (Zie ook de commotie rondom het niet aanmelden van honderden wetten en regelingen bij de Europese commissie, waardoor er in Nederland enige tijd verwarring ontstaan is. Indien de commercie zich gebaseerd had op ethische regels omtrent concurrentie was deze regelgeving niet nodig geweest).

De oorzaak van de verwarring ligt in een vermindering van het ethisch gevoel van mensen met het daarbij terugvallen op wetten en regels die trachten de ethiek te vervangen. Maar kan de wet de ethiek vervangen? Wordt dan niet alles marginaal? Ethiek is immers een houding, die als basis geldt. Er zou een minimum aan wetten moeten volgen. De Joden konden dat niet en legden 624 wetten en voorschriften vast. De ethiek bloedde dood, het jodendom verstarde en viel uiteen in veel houdingen en uitingen, waardoor een uniform jodendom eigenlijk niet meer bestaat. De islamieten maken in deze tijd een zelfde proces door. Er wordt een beroep gedaan op het volgen van - soms onzakelijke en onbegrijpelijk geworden - voorschriften, waarbij de voorschriften tot op de letter gevolgd dienen te worden. Daarbij verstart de levenshouding en worden de voorschriften, regelingen en wetten tot nieuwe goden verklaard. De 'letter van de wet' is heilig! De wet MOET worden toegepast!

Ook in de kleine samenlevingsverbanden kan dit leiden tot onleefbare situaties. Wanneer een vrouw tegen een man zegt: -Ik houd niet meer van jou. Ga mijn huis uit - dan kan zij er verzekerd van zijn dat de rechter binnen vier weken heeft besloten dat de man binnen veertien dagen het pand moet verlaten. Zo staat in de regelgeving en de vrouw kan hier een beroep op doen. Redelijk of niet, dat is niet ter zake. Over de boedelscheiding maakt de rechter zich geen zorgen. (Daar is een notaris voor). Over de kinderen en de alimentatie treft hij een regeling. Binnen drie maanden is alles bekeken en ondanks zijn protesten staat de man op straat, zonder woning en zonder kinderen. (Hetzelfde geldt omgekeerd, wanneer de man zo'n uitspraak doet.) De vergelijking met de primitieve scheidingsbrief van Joden en Arabieren ligt voor de hand. De vraag of wij terugvallen op een 'primitiever maatschappij-systeem' kan niet genegeerd worden. Vergroot de huidige ethische levenshouding onze overlevingskansen? Ik betwijfel het. Het lijkt alsof er een grotere vorm van vrijheid gepretendeerd wordt, dus een grotere overlevingskans is gecreëerd, maar ik denk dat dit slechts schijn is. Door het ontbreken van zekerheden raken kinderen steeds meer in verwarring. Zij kunnen de ongewisse rolpatronen niet verwerken en schieten in grote getale de officiële hulpverlenings-kanalen in. Maar die instanties kunnen onmogelijk als vervanging van een ouder gaan functioneren. Het is daarom noodzakelijk dat we het leven in samenlevings-verbanden opnieuw trachten te formuleren en ons bezinnen op de bescherming van de levens-sfeer van de kinderen van gescheiden ouders. Een simpele toewijzing door de rechter is beslist onvoldoende. We mogen hierbij niet vergeten dat ons huwelijksrecht nog afstamt van Napoleon en dat toentertijd het aantal scheidingen veel lager was, de gemiddelde levensduur van de mensen slechts de helft bedroeg van nu en de snelheid van leven niet groter was dan de snelheid van het paard. Het zal dus noodzakelijk zijn de taken in onze primaire en secundaire samenlevingsverbanden opnieuw te formuleren. Om van daaruit nieuwe ethische gedachten te bepalen. De kunst zal zijn om deze nieuwe houding in weinig regels vast te leggen omdat anders verstarring op de loer ligt. Een verstarring die leidt tot een overvloed van al dan niet juridische procedures, die tenslotte zullen leiden tot een doolhof waaruit niemand meer weg weet.

Maar waar is de autoriteit die deze houding en deze regelgeving kan bewerkstelligen? Waar leeft het gezag dat iets kan afdwingen? Is de mensheid in dit deel van de wereld voldoende doordrongen van het feit dat een voortgaan op de huidige manier van denken en werken tot een funeste ondergang leidt? Aan wie zal dan het ultieme gezag gegeven worden? Dat brengt mij tot de beantwoording van de laatste vraag van de inleiding: -welke vrijheden hebben wij om een dergelijke grote verandering tot stand te brengen?-

Ik wil beginnen met de genetisch vrijheden die we hebben.

Deze vrijheden zijn niet zo groot omdat wijzelf in dit stadium weinig aan het genetisch materiaal kunnen veranderen. Of liever: willen veranderen, want de maatschappij (inclusief ikzelf) is niet zo happig om aan ons DNA te gaan sleutelen. Het lijkt een onmogelijke weg omdat onze kennis om DNA-veranderingen te bewerkstelligen te gering is en tot veel onzekere uitkomsten zal kunnen leiden. Sla je hier de plank eenmaal mis dan zullen de miskleunen ons generaties lang vergezellen. Ik ben bezorgd over de genetische manipulaties, die we gaan plegen. Terwijl we niet weten wat we zelf zijn, zouden we toch veranderingen in en aan onszelf gaan bewerkstelligen. Kan dat wel? Zijn de uitkomsten vooralsnog niet te onzeker om met enige veiligheid een weg in te slaan waarvan we niets weten? De risico's zijn mij te groot en daarom ben ik een voorstander van een zeer geleidelijke aanpak met zo min mogelijk risico's.

De tweede vrijheid ligt meer in het sociaal-maatschappelijk verkeer: we zijn in hoge mate vrij onze moraal, onze ethiek zodanig aan te passen dat we een heel ander gedrag kunnen gaan vertonen dan we nu doen. Daarin geeft ons de geschiedenis talloze voorbeelden. We kunnen stellen dat de verbetering in ethisch gedrag in tienduizend jaar niet erg groot is. Kaïn is nog steeds bezig Abel te vermoorden en wel om dezelfde redenen als hij dat in Genesis deed. Ons egoïsme is niet kleiner is geworden. Terwijl we heel goed inzien dat we alleen kunnen overleven wanneer we gezamenlijk optreden en het begrip 'vijand' afschaffen, zijn onze daden niet geheel in overeenstemming met dit samenwerkingsgevoel. Steeds weer duiken 'gezond eigenbelang', 'eigen identiteit', 'eigen nationaliteit' op als fenomenen die vooral eerst nagestreefd moeten worden voor we ons overgeven aan het opgeven van ons eigen beschikkingsrecht. Dit laatste moet voorop staan. Ik heb al betoogd, dat het eigendomsrecht op grond en goederen een betwijfelbaar recht is, omdat niemand iets met zijn dood kan meenemen en omdat het erfrecht in deze tijd toch steeds meer op de helling zal komen. Ik geloof dat het erfrecht afgeschaft dan wel nog veel sterker gereduceerd zal worden.

Hierdoor worden eigen identiteit en eigen beschikkingsrecht en eigen bezit steeds meer relatieve begrippen. Uit de aard van de natuur blijkt dat er geen eigendomsrecht bestaat en dat het begrip 'bezit' sterk gerelativeerd moet worden. De grondslag van onze ethiek zou dan veel meer in de richting kunnen gaan van een vermindering van het eigenbelang ten bate van het algemeen belang.

Ik ben van mening dat onze zwaarste opgave voor de toekomst gelegen is in de opgave een ethiek te ontwikkelen, die de maatschappelijke problemen van de huidige tijd de baas kan. Dat is om meer dan één reden een ontzaglijke opgave. Ik wil twee problemen, die hier spelen kort uiteenzetten:

1. Hoe verkrijgen we zo'n algemeen geldende ethiek?

2. Welk gezag zal deze ethiek aan de maatschappelijke groeperingen opleggen?

Ad 1. Uit veel brokken geschiedenis blijkt, dat de ethische normen in onze maatschappij-geledingen veelal afgeleid werden vanuit een of andere vorm van godsdienst. Het gezag werd toebedeeld aan een god of aan een van de goden of aan een collectiviteit van goden.

Een treffend voorbeeld vinden we in de Griekse en Romeinse godsdiensten. Het aantal goden en godinnen is zo groot dat niemand van de desbetreffende goden genoeg gezag wint om een algehele norm aan de mensen op te leggen. De ethiek bij deze (en bij de hun omringende) volken is dan ook heel verwarrend geweest. Het lukte Paulus van Tarsus dan ook vrij snel om de volken rond de Middellandse Zee tot een monotheïsme te brengen en daarmee ook tot een algemeen aanvaarde ethiek. De God van Paulus was afgeleid van de Joodse God (JAHWE) wiens naam niet uitgesproken mocht worden, omdat Hij zo heilig was. Een sterker gezag was niet mogelijk! De grondslag van deze ethiek was vastgelegd nabij de berg Sinaï, eeuwen voor de verschijning van Paulus. De grondslag was vastgelegd in de zgn. Tien Geboden (Tien Woorden, zoals de Joden zeggen). Maar het jodendom was ethisch vastgelopen in de starre 624 voorschriften. Paulus leefde dus een maatschappij waar enerzijds de ethiek, hoewel doeltreffend simpel geregistreerd, geen vast karakter had. En anderzijds was vastgelopen in de eigen starheid van normatieve voorschriften. Voeg daarbij de vele veldslagen en veroveringen, die het maatschappijbeeld eveneens onstabiel maakten en het is duidelijk dat Paulus op een heel geschikt (voorbeschikt?) moment het wereldtoneel betrad. Hij schreef een veertiental brieven en reisde duizenden kilometers om zijn nieuwe leer te verkondigen en hij had groot succes. We weten nog niet hoe we dit succes moeten/kunnen verklaren. Duidelijk is dat het gebeurde, want de hele westerse maatschappij is tot op de dag van vandaag gestructureerd volgens 'christelijke' normen. De oorspronkelijke vormer van dit 'christendom' kon aan de verspreiding van zijn ethiek niet deelnemen, omdat hij in het jaar 33 door de Romeinen gedood werd. Het is een vraag of Paulus de ideeën van zijn leermeester wel volgens diens inzichten heeft verkondigd, maar daar gaat het hier niet om: Paulus had veel succes en dat is voldoende. Het is in dit verband ook niet van belang of de Jood Jesjoea van Nazaret de bedoeling had een zgn Kerk te stichten, dus een sterk gestructureerd instituut, zoals dat 20 eeuwen heeft bestaan en nog bestaat. (Zie mijn studie: -Jesjoea, Paulus en de macht.- Mets, Amsterdam, 1995).

Het gaat hier dus om het verschijnsel 'ethiek en gezag' en wel: Wie of wat heeft het gezag om een ethiek aan een maatschappij op te leggen?

Wanneer we andere ethische vormen en hun geschiedenis bekijken dan zien we telkens dat er een of andere 'GOD' te voorschijn komt, die dit gezag vertegenwoordigt. De legalisatie van de ethiek gaat altijd via God. Dikwijls treedt hierbij een ander verschijnsel op, n.l de komst van een Messias, een verlosser, die bekleed wordt met verschillende 'rollen' om de mensheid te 'verlossen', te redden. Blijkbaar vindt de mensheid van zichzelf, dat ze nog niet 'goed genoeg' is, dat de mens nog niet 'af' is. In evolutietermen: de mens kan zich nog verder ontwikkelen. (Van de grote godsdiensten is de Islam van mening dat wij weliswaar nog niet goed zijn, maar ze ontwijkt het verschijnsel: verlosser. Mohammed was en is hun grote profeet!)

We zitten nu met het probleem, dat steeds minder mensen aan een God een gezag willen toekennen. Door de rationele samenleving worden veel vormen van irrationaliteit, waarvan de godsdienst zelf wel de grootste genoemd kan worden, geleidelijk overboord gezet. Vanuit rationeel standpunt is dit begrijpelijk. De wetenschap leert ons dingen, die we rationeel kunnen verklaren. De wetenschap ontkent irrationaliteiten, die we met ons verstand niet kunnen begrijpen. De toorn van een God komt niet te voorschijn in ziekten, onweer, oorlogen en in nog vele andere vormen van geweld. Het zijn wij, mensen, die dergelijke zaken veroorzaken en koesteren. Zelfs voor diepgelovige mensen heeft God een andere functie gekregen. Het is misschien nog niet zo duidelijk welke functie maar bijvoorbeeld niet meer de functie van 'wreker'. Heeft God dan nog wel de functie van 'ethiek-bewaker'? Ik betwijfel het. Het zijn wij, mensen, die de ethiek maken en volgen. Op dit moment is de westerse maatschappij op vele punten te vergelijken met de romeinse maatschappij. De gladiatoren zijn uit de ARENA'S verdwenen en hebben plaats gemaakt voor miljonairs op voetbalvelden, race-circuits en in sporthallen. Maar de sfeer is beangstigend vergelijkbaar met de sfeer in die oude stadions. 'Brood en spelen!' Nog nooit in de geschiedenis van de mensheid is er zo'n grote recreatie-industrie geweest als in de westerse wereld van nu. Hoewel het werken en werk-hebben de belangrijkste factor in ons leven is, moeten we toch constateren dat bij een 36-urige werkweek meer tijd besteed wordt aan ontspanning dan aan werk. (Bij deze ontspanning reken ik ook het klussen aan huis en zomerhuis en boot, enzovoort).

Wanneer we de ethiek-bewaking niet meer aan God kunnen ophangen wie of wat heeft dan voldoende gezag om deze taak op zich te nemen?

We kijken weer naar de ontwikkelingen in Europa. Hier groeien instanties (Europese Commissies) die met groot overwicht zaken controleren en corrigeren. Voorbeelden zijn de monopolistische fusies; de wet- en regelgeving van nieuwe wetten, die aangemeld moeten worden; de correcties op media-giganten, enzovoort. Voorlopig zijn dit controles op economisch gebied. Te verwachten is dat de controles op sociaal gebied spoedig zullen volgen (b.v. de duur van de werkweek in Engeland). Niet ondenkbaar zijn controles en correcties op het gebied van de gezondheidszorg, maatschappelijk-sociale vormgeving en andere terreinen. Wanneer we de toestand op het gebied van bijvoorbeeld abortus en euthanasie bekijken dan is te verwachten dat hierover binnen een aantal decennia gezamenlijke gedachtevorming ontplooid kan worden. Dit kan ook gebeuren op het terrein van de huwelijkswetgeving, het onderwijs, het immigratiebeleid. Kortom: wanneer we Europa durven erkennen en een hele brok zelfstandigheid durven opgeven dan kan een structurele weg volgen om een nieuwe ethiek te ontwikkelen. Dit klinkt overmoedig en het zal nog lange tijd duren, maar het hoeft geen utopie te zijn. In vele opzichten is men in de USA al zover, voortvarend verder koersend op een immense immigratie.

Stop! Hoor ik van vele kanten roepen. We mogen onze eigen identiteit niet verkwanselen! Die identiteit is een veel geplaagde term, die te pas en te onpas gebruikt wordt.

Wat is identiteit? Mijn eerlijke antwoord zou moeten zijn: ik weet het niet. Het is zo'n vaag begrip, dat ik er liever niet mee omga. Laat ik toch eens proberen er enige analyse op los te laten.

Identiteit heeft iets te maken met de plaats waar en de vorm waarin wij willen staan. Mijn eerste identiteit is mens en wel mannelijke mens. Maar daar kan ik niet veel mee want ik weet niet wat vrouwelijke identiteit is. Hoe graag ik dat ook zou willen: ik kan me nooit een vrouw voelen, als vrouw voelen. Ik kan me zelfs heel moeilijk in haar verplaatsen. Maar blijkbaar kan ik wel met haar leven. Ik doe dat al heel lang en het bevalt me uitstekend.

Een tweede identiteit is: ik ben Nederlander. Wat is dat? Het betekent dat ik op een bepaalde plaats in Nederland geboren ben en dat ik in de Nederlandse taal en cultuur ben opgevoed. De Nederlandse taal ken ik en ik druk me daar hoofdzakelijk in uit. Mijn communicatie verloopt voor het grootste deel in het Nederlands. Ik denk in het Nederlands. Dat ik Nederlander ben is voor het grootste deel toeval. Wanneer ik ergens ander geboren zou zijn dan voelde ik me als een andere identiteit, had ik een andere cultuur en een andere taal. Maar wanneer ik als kind in een andere cultuur met een andere taal was opgegroeid (niet geboren dus) dan had ik die andere identiteit aangenomen. Dat wil zeggen dat ik geen aangeboren identiteit heb, maar dat identiteit iets is dat ik heb aangenomen. Het is zelfs als volwassene mogelijk een andere identiteit aan te nemen zoals veel gastarbeiders en immigranten hebben aangetoond. Toch hangen veel mensen aan dit aangenomen beeld van zichzelf en worden er veel oorlogen en andere twisten over uitgevochten. Ik voel mij Feyenoorder. Ik voel me Belg. Sterker: ik ben Vlaming en ik ben Waal. De Voerstreek die ligt ten zuiden van Zuid Limburg, is een voorbeeld van een lang vervlogen tolerantie, die zich enige decennia geleden nog uitte in vuistgevechten. Hun taal en cultuur mocht niet verloren gaan! (En is ook niet verloren gegaan). Het is een schijn-redenering. Niemand vraagt om een gesproken taal op te geven. Wel worden op veel plaatsen op aarde mensen tweetalig opgevoed. Uit eigen ervaring weet ik dat dit heel goed mogelijk is. Tweetaligheid is - mits op jonge leeftijd geleerd en blijvend toegepast - geen enkel probleem. Er zijn zelfs schrijvers die op latere leeftijd met een voor hen nieuwe taal in aanraking komen en zich in die nieuwe taal feilloos kunnen uitdrukken, zij het soms met behulp van inheemse redacteuren. Ik zou talloze voorbeelden uit verleden en heden kunnen noemen, ik beperk me tot twee recente: Jan de Hartog maakte zijn debuut in de Nederlandse taal o.a. met Hollands Glorie en ging later over in de engels/amerikaanse taal, waar hem grote successen (en meer geld) ten deel vielen. De Chinese schrijfster Lulu Wang schreef - na een pas driejarig verblijf in Nederland - haar debuut 'Het lelietheater' in het Nederlands. Ze leeft in Nederland en behalve haar onvervreemdbaar uiterlijk leeft ze nu als een Nederlandse vrouw.

Identiteit is als een mantel die je aantrekt en uitdoet al naar gelang je het uitkomt.

Er zijn andere zaken die onze aandacht moeten vragen om tot een gezamenlijke nieuwe ethiek te komen. In dit artikel kan ik daar verder niet over uitweiden. Ik wil enige terreinen noemen waarop voorzichtigheid geboden is.

Het zal moeilijk zijn om het gehalte van de bestuurders van de diverse commissies op een zodanig niveau te handhaven, dat corruptie niet voorkomt. De aantrekkingskracht van de macht is groot. Ik ben van mening - en ik heb dit ook beschreven (zie vorige aantekening over Jesjoea en Paulus) - dat wij onze macht verkeerd gebruiken. Eigenlijk is dit probleem het eerste ethische probleem dat wij zouden moeten aanpakken. Maar het is tegelijk het grootste probleem want macht is verleidelijk. Een man die carrière wil maken zal deze verleidingen niet gemakkelijk kunnen weerstaan. Vooral oudere mannen die hun potenties zien en voelen dalen, grijpen gemakkelijk naar de machtsmethoden om hun invloed niet te laten tanen. Een management-roulatie-systeem (job-rotation) kan hier op veel plaatsen uitkomst brengen. En ik beweer niet dat deze managers aan hun stoel vastgebonden zitten want de politiek en het internationale bedrijfsleven laten zien dat rotatie een kwestie is van planning. Hierbij moet vanzelfsprekend rekening gehouden worden met de niveaus van machtsvorming. Iemand steeds sneller op de ladder van de machtsvorming te laten stijgen is geen job-rotation maar carrière-planning met de bedoeling iemand voor de pensionering een zo hoog mogelijke status te laten bereiken. Want die status is dan het enige waar een gepensioneerde zich nog aan vast kan houden. Meer heeft hij niet.

Tenslotte zal de ethiek van morgen vooral aandacht moeten schenken aan de veiligheid, waarin een mens wil leven. Het gezin als hoeksteen verdwijnt langzaam en er zal een nieuwe hoeksteen gevonden moeten worden. Te veel wisselingen in de basisgroep zal veel onveiligheid met zich mee brengen. Voor de groei van onze veiligheidsgevoelens is evenwel een solide basisgroep een eerste vereiste. Hoe dit probleem aan te pakken is mij onduidelijk. Basis-groepen verlangen continuïteit. Het moeten dus groepen zijn waarin een jonge mens langer kan leven. Met steeds wisselende partners is continuïteit niet mogelijk. Zeker niet wanneer rechters kinderen toewijzen aan wisselende ouders.

*

De vraag of individualisme leidt tot meer egoïsme kunnen wij niet rechtstreeks beantwoorden. Van nature zijn wij uitgerust met genen, die een sterk individualistisch karakter hebben als noodzaak om als persoon en als soort te overleven. Indien wij deze genen niet weten te binden aan sociale voorwaarden en structuren dan kunnen de genen ons de baas worden en zullen wij ons steeds egoïstischer gedragen. Maar we zijn tegelijk in onze genen ook toegerust met een ethisch gevoel dat ons in staat stelt om dit egoïsme in te dammen en een sociale maatschappij op te bouwen. Daartoe zal het nodig zijn langzamerhand een nieuwe ethiek te ontwikkelen om van daaruit te komen tot een nieuwe regelgeving, die onze ethiek binnen haar banen begeleidt.

September 1997 (Versie 1.1)

Ton Hilberink

Download this file in Acrobat PDF format click on the logo: